We krijgen steeds vaker de vraag waarom werknemers hun huur of de afbetaling van een hypothecaire lening niet kunnen betalen via ons Flex Income Plan (FIP). Die vraag is begrijpelijk: via het cafetariaplan kan je vandaag al een deel van je 13e maand omzetten in andere voordelen, en binnen het federale mobiliteitsbudget bestaan er wél mogelijkheden om woonkosten te financieren.
Toch moeten we duidelijk zijn: binnen ons huidige FIP is dit wettelijk niet toegestaan. In deze blog leggen we uit waarom, en wat het wezenlijke verschil is tussen een cafetariaplan en het federale mobiliteitsbudget.
1. Woonkosten: een uitzonderlijk voordeel binnen het mobiliteitsbudget
De terugbetaling van huur of van kapitaal- en interestaflossingen van een hypothecaire lening is een uitzonderlijk voordeel dat uitsluitend bestaat binnen pijler 2 van het federale mobiliteitsbudget.
Dat kan bovendien alleen onder strikte voorwaarden. Zo moet de werknemer:
binnen een straal van 10 km van de vaste werkplek wonen, of
minstens 60% van de tijd (of 3 dagen per week) structureel telewerken.
Alleen in die strikt omschreven situaties laat de wetgever toe dat een mobiliteitsbudget belastingvrij wordt aangewend voor woonkosten. Buiten dit kader is dat niet mogelijk.
2. Het echte verschil: loonruil versus een échte salariswagen
De kern van het verschil zit in de oorsprong van het voordeel.
Ons FIP: loonruil
Het Flex Income Plan is gebaseerd op brutoloonruil (salary sacrifice). Dat betekent dat een werknemer een deel van zijn bestaande loon — bijvoorbeeld (een stuk van) de 13e maand — inruilt voor andere voordelen die sociaal en fiscaal zijn toegestaan.
De wetgever heeft echter strikt vastgelegd welke voordelen via loonruil kunnen. Woonkosten, zoals huur of de afbetaling van een hypothecaire lening, behoren daar niet toe. Daarom kunnen ze binnen een FIP niet op een fiscaal of sociaal gunstige manier worden toegekend.
Het mobiliteitsbudget: ruil van een échte salariswagen
Het federale mobiliteitsbudget is uitsluitend bedoeld voor werknemers die een salariswagen als vast onderdeel van hun loonpakket hebben gekregen, bovenop hun loon.
Het gaat dus om een wagen:
die door de werkgever wordt toegekend als voordeel,
waarvan de volledige kost (Total Cost of Ownership) door de werkgever wordt gedragen,
en die niet het resultaat is van een loonruil of loonvermindering.
Wanneer zo’n werknemer afstand doet van die salariswagen, kan de bijhorende werkgeverskost worden omgezet in een mobiliteitsbudget. Omdat de overheid werknemers actief wil aanmoedigen om een salariswagen op te geven, heeft de wetgever in dit specifieke en afgebakende geval uitzonderlijke fiscale voordelen voorzien, waaronder — onder strikte voorwaarden — de terugbetaling van woonkosten.
3. De antimisbruikregel: waarom dit niet kan via loonruil
De wetgeving bevat bewust een antimisbruikbepaling die bepaalt dat salariswagens of voordelen die voortkomen uit loonruil niet in aanmerking komen voor het federale mobiliteitsbudget.
Concreet betekent dit dat:
een salariswagen die wordt “betaald” via de 13e maand of een ander loonbestanddeel,
of een salariswagen die het resultaat is van een vermindering van het brutoloon,
niet wordt beschouwd als een échte salariswagen in de zin van de mobiliteitswetgeving.
De reden daarvoor is duidelijk: het mobiliteitsbudget is bedoeld voor werknemers die een salariswagen kregen bovenop hun loon, en niet voor situaties waarin werknemers in werkelijkheid zelf hun wagen financieren via hun loon. Alleen in dat eerste geval laat de wetgever uitzonderlijke voordelen toe, zoals de belastingvrije aanwending van het budget voor woonkosten.
Conclusie
We begrijpen heel goed dat veel collega’s hun woonkosten graag zouden financieren via het cafetariaplan. Maar binnen het huidige wettelijke kader kan dat niet, zolang het FIP gebaseerd is op loonruil.
Zonder een koppeling aan een échte salariswagen die door de werkgever wordt toegekend als onderdeel van het loonpakket, is een belastingvrije terugbetaling van huur of hypotheek niet toegestaan.
Als vakbondsafvaardiging blijven we deze regelgeving nauwgezet opvolgen. Mocht de wetgever in de toekomst meer ruimte creëren voor cafetariaplannen, dan bekijken we uiteraard wat dat kan betekenen voor onze werknemers.
Referenties
Wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget (BS 29 maart 2019)
Wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit
Ministerraad van 9 januari 2026 – Voorontwerp van wet tot wijziging van diverse bepalingen inzake het mobiliteitsbudget
Sociaal Strafwetboek (handhaving en sancties)
Richtlijnen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over pijler 2 en 3 van het mobiliteitsbudget
Definities en modaliteiten van het mobiliteitsbudget – FOD BOSA
